Op het moment dat ik het Van Gogh Museum verliet, was ik eigenlijk stil vanbinnen. Ik dacht dat ik overweldigd zou worden, geraakt door de kleuren, ontroerd door de verhalen, maar wat echt bleef hangen, was een diepe bezinking.
Het geel van de zonnebloemen is niet helder, maar brandend; de blik in de zelfportretten is niet gek, maar een krachtige manier van leven. Pas als je voor het schilderij staat, besef je dat hij niet zomaar een genie was dat plotseling verscheen, maar iemand die, te midden van chaos en onbegrip, toch koos om te creëren.
37 jaar van zijn leven werd hij vrijwel niet erkend door de markt; maar honderd jaar later is hij de reden waarom talloze mensen speciaal naar Amsterdam vliegen om hem te eren. Dat gevoel van tijdsverschuiving is behoorlijk indrukwekkend.
Kunst is eigenlijk geen techniek, maar uiterste oprechtheid. Het gaat niet om succes of falen, maar om "heb je jezelf blootgegeven".
Toen ik het museum verliet, was de stad nog steeds levendig, maar ik voelde een extra laag in mijn hart. De waarde van reizen is misschien dat je jezelf plotseling ziet in een bepaalde tentoonstellingsruimte.